Butterfly blues

Orvelte, 22 juli 2019
Door natuurspotter Jan van Ginkel

Je kunt er niet omheen: Drenthe is blues.

Als we de goeroes moeten geloven, had de blues in onze provincie kunnen ontstaan. Zo groot zijn de overeenkomsten tussen de landarbeiders en turftrappers onzerzijds en de tot slaaf gemaakte katoenplukkers aan de overzijde van de Atlantische oceaan. Wie de Drentse klassiekers kent, stemt met hart, snik en ziel in met de oer-Drentse blues. Het was, zo weten zij, niet niks wat het gezin Bartels moest doorstaan toen de vader van Bartje door boer Wapse werd ontslagen. Verhuizing naar de Lange Jammer* werd hun deel.

Over het afgegraven veen zweven nog altijd de weemoedige klanken van een lied vol jammer en melancholie. Het werd met een rochel in hun keel gezongen door de knoestige veenkers rond hun koffievuurtje. De oudste van het stel speelde wat uithalen op zijn mondharmonica en had de plicht om als eerste met een vette kwalster het vuurtje uit te spuwen. “Hort, wij möt weer gaangs!”

 

In het kleine dorpje G., letterlijk en figuurlijk het kloppend hart van onze bluesprovincie, nemen oude zwaar behangsnorde bluesprofeten het al geruime tijd op tegen de ver-rap-ping van de samenleving. Jonge musici sluiten zich nog steeds bij hen aan en vertolken de zwaarmoedige en eindeloze ach en wee-zangen van keizer Kjoebie en de Bliksems. Maar er lijkt een kentering op komst. Wekelijks oefenen in een oude zuipkeet Johnnie and the Buddleja’s. De band studeert tussen het blowen door zelfgeschreven nummers in. Ingegeven door hun luxe leventje zoeken zij eigenlijk naar een wat vrolijker variant op de tranentrekkende blues. Tekstschrijver en leadzanger Johnnie Kelgin zet hierin de toon. Hij heeft in het landbouwonderwijs enige kennis opgedaan over vlinders en is gegrepen door hun mysterieuze bluesy leefwijze. In zijn filosofie ontwikkelt de rups van de traditionele blues zich tot frivole vlinder. De Butterfly blues is geboren!

 

Vlindersingersong

Het gaat slecht met de vlinders: een prima voedingsbodem voor de Butterfly blues. Wat je al niet kunt met de afname van de bovengrondse insecten met 75%. En wie zei ook alweer dat het enige bodemleven dat de chemiegolf heeft doorstaan, de koppen-in-het-zand zijn van de overheid en agrarische voormannen? Heerlijke onderwerpen voor de Butterfly blues. Maar ondanks de vrolijke en zorgeloze tijden weet de opgeruimde blues niet door te dringen tot het traditietrouwe bluespubliek. Dat hangt aan de gruizige stemmen van de grote namen, ook al zijn die onderhand niet meer te betalen. Komt de miskenning van de opgewekte variant misschien door de onnavolgbare en ecologisch getinte teksten als:

Ik hakkel jou Aurelia
en streel je Kleine vos
jouw roodbruine vachtje
maakt het Dikkopje in mij los.
          Refr. De vuurvlinder wit verkoold
                    raakt in Drenthe niet uitgedoold. (snik)
                    nee never nooit uitgedoold (bis)

Al ben ik nog een Groentje
een Blauwtje lopen wil ik niet.
Zonder van jou een Cizoentje
ben ik een Rouwmantel van verdriet.
          Refr. De vuurvlinder wit verkoold
                    raakt in Drenthe niet uitgedoold. (snik, rochel)
                    nee never nooit uitgedoold (bis)

Dan sla jij mij een Dagpauwoog
mijn nacht raakt vol van Gamma-uilen.
Bloeddrupjes vliegen hemelhoog
en ik moet donders huilen
          Refr. De vuurvlinder wit verkoold
                    raakt in mij niet uitgedoold. (snik, rochel, snik)
                    nee never nooit uitgedoold (bis)

Volgens de tekstschrijver steekt ‘De verdronken vlinder’ van Boudewijn de Groot maar bleekjes af bij zijn vindingrijke vlinderpoëzie.

 

Distelvlinderinvasie

Ook vandaag de dag raakt J. Kelgin door de butterflies geïnspireerd. Neem nou de in dit voorjaar hoog opgelopen spanning rond de Distelvlinder. Komt-ie wel, komt-ie niet? Krijgen we eindelijk weer eens een invasie of niet? De laatste keer was toch zeker tien jaar geleden. Dus het wordt weer eens tijd, veronderstellen wij. En ja, het is raak! Vanaf eind juni bevestigt Johnnie uit eigen waarneming dat hij op elke willekeurige fietstocht (o, die noordelijke wind door je haren!) tientallen exemplaren heeft aangetroffen.

 

‘t Kan niet schelen waar: in bermen, boven oranje-gele weiden, langs bospaden, in de dorpen, overal kom je ze tegen. Zelfs de voortdurende stank van de al maar door mestende boeren lijkt ze niet te weerhouden. Maar wat zien sommigen eruit! Daaraan denkend lopen de blues vibraties Johnnie over het magere lijf. Vaal en beschadigd zijn de fragiele maar taaie vlinders. Zij dartelen zo goed en zo kwaad als het gaat rond op zoek naar een partner. Kijk, dat is de ware blues: doorgaan tot je erbij neervalt. Je zat zuigen aan zoiets triviaals als een bloeiende liguster. Uit hemelse nectar krachten opdoen om, na de paar duizend kilometer lange vlucht, de ultieme daad te verrichten en te sterven. En wat brengen deze afgevlogen schepsels niet voort: prachtige sterke vlinders die weer op de Grote trek gaan, naar Zuid-Europa en zelfs Noord-Afrika. Ooit zal Johnnie deze heroïek weten te vatten in een zinderende Butterfly blues.

 

Einde van de blues?

Ik wil graag nog een belevenis doorgeven die mijn blues ver te boven gaat. Rondneuzend aan de buitenrand van de tuin, langs de gemengde haag met inheemse struiken en tuinsoorten als Boerenjasmijn en Bruidsbloem, zag ik in mijn ooghoek een vlinder die mij even deed denken aan de zwart-witte zomergeneratie van het Landkaartje.

 

Maar nee, in dezelfde seconde herkende ik de Kleine ijsvogelvlinder! Het is niet eens toeval dat ik mijn fotocamera gebruiksklaar bij mij had (ik vergeet nog eerder mijn sleutels of geld dan de camera). Ik kon enkele prenten maken waar ik erg blij mee ben. De soort is sedert de jaren negentig niet meer in Drenthe waargenomen, althans niet met beeld bevestigd. Mijn Mieke zag vorig jaar echter een exemplaar bij het Halkenbroek ten westen van Elp. Ik geloof haar direct, want wij hebben samen tientallen Kleine ijsvogels gespot in de Biebrza en op andere plaatsen in Polen. Dat hij in Drenthe zo zeldzaam is, ontdekte ik, na mijn topervaring, in de literatuur. Helaas was de waarneming van korte duur, hooguit vijf minuten kon ik de vlinder volgen, zittend op Bruidsbloem en Gewone vlier en zonnend op de grote bladeren van de Hazelaar. Zo’n ‘bosrand’ is wel de biotoop waar de Kleine ijsvogel zich thuis voelt. Voor de voortplanting is hij afhankelijk van Wilde kamperfoelie, bij voorkeur groeiend in vochtige bossen.

 

De kamperfoelie bij mij in de buurt groeit in de droge bermen aan het Oranjekanaal. Die is waarschijnlijk niet aantrekkelijk om eitjes op af te zetten. Bovendien, wat droom ik nou? De vlinder is een toevallige passant en voor nakomelingen moet je als vlinder nog steeds op zijn minst met zijn tweeën zijn. Maar ja, ik mag graag dromen.
Heb ik dan toch ook een klap van de blues gehad? Als dat al zo is, dan zou ik een andere vlinder kiezen als mascotte. Een gewone jongen die geen hoge eisen stelt en tevreden is met simpele soorten gras. Een vlinder die wat betreft zijn onopvallende kleuren recht doet aan de Drentse blues. Een soort die toch verrassend uit de hoek komt als je hem beter bekijkt. Zijn achtervleugels zijn getekend als de lagen in de grond, zand en veen wisselen elkaar af. Rekt hij zijn voorvleugels wat uit, dan schijnt ineens de zon over het vermoeide Drentse land. Laten we zuinig zijn op het Bruin zandoogje, meer blues wordt het niet!

 

*Lange Jammer: misprijzende naam voor een blok eenvoudige woningen voor armlastigen, onderhouden door de kerkelijke diaconie. Gezinnen werden er gehuisvest, mits men de kinderen naar de christelijke school stuurde.