Het duistere leven van nachtvlinders

Wanneer de dagvlinders verdwenen zijn valt er nog heel wat plezier te beleven aan de nachtvlinders. Merkwaardig genoeg leven sommige nachtvlinders in een heel vreemd levensritme. Ze komen pas uit de cocon wanneer de vorst er overheen is gegaan. Enkele nachten met grondvorst leverden direct al grote aantallen witte fladderaars op in het licht van je autolampen. Ik heb dan zelf de neiging om wat langzamer te gaan rijden. Telkens denk ik dat er weer wat verdwenen is in de gril. Je hebt er dan niets aan want er zit zo weinig vlees aan dat ook de gedachte dat je er van zou kunnen eten onzinnig is. Ik begrijp van mensen die verstand hebben van aerodynamica, dat de meeste vlindertjes met de luchtstroom rond de auto zullen ontsnappen. Daar hoop ik dan maar op…

Deze nachtvlinders overleven doordat ze speciale samenstelling van hun lichaamsvloeistof hebben waardoor ze beter tegen vorst kunnen; een soort antivries dus. Bovendien hebben ze in die koude periode ook nauwelijks voedsel nodig omdat ze dat hebben overgehouden van hun popstadium. Het is voldoende reserve om wat te kunnen vliegen, te paren en voor de vrouwtjes om eitjes te leggen. Dat is maar goed ook want er is natuurlijk buitengewoon weinig te halen.

Kleine wintervlinder

Zwartvlekwinteruil

 Stroom van poepjes

Dat geldt des te meer voor de vrouwtjes van de Kleine wintervlinder. Die is namelijk vleugelloos uit de cocon gekropen. Onderaan een eikenboom begint haar tocht naar boven, waarbij ze onderweg bevrucht wordt, waarna ze de bladknoppen opzoekt om eitjes te leggen. Daaruit komen begin mei rupsjes die aan het jonge blad beginnen. In een jaar waarin ze met velen zijn kunnen ze eikenbomen in die fase totaal kaal vreten. Je kunt het horen, want naast het geknaag valt er een continue stroom van poepjes naar beneden op de bladerbodem. In diezelfde tijd komen veel jonge vogeltjes zoals mezen, uit het ei en de jongen worden met dit soort rupsjes gevoed.

Meer op smeer

Naast de spanners: de Grote en de Kleine wintervlinder komen er nog winteruilen voor. Een soort als de Wachtervlinder is in de late winter en het vroege voorjaar te zien op plekken waar je wat zoetigheid met alcohol op bomen smeert. Een soort die altijd zeldzaam was in Drenthe, de Zwartvlekwinteruil, is dit jaar voor het eerst in grote aantallen op smeer te vinden. Vanaf 2011 tot dit jaar waren 16 exemplaren in Drenthe gezien en nu in 2017 al 86 exemplaren, waarvan 18 alleen al op 23 november bij de Vlindertuin in Zuidwolde. Of dat nu het gevolg is van klimaatverandering weet ik niet zeker, maar het lijkt er wel wat op, omdat de soort in zuidelijker streken veel algemener was.

En hoe het met de nachtvlinders gaat? Ook dat is lastig te beantwoorden, omdat je dan heel systematisch moet tellen. We gaan daar mee bezig, maar de indruk is wel dat ook veel nachtvlindersoorten achteruit gaan.