Gevleugeld crisisteam

Natuurspotter Bert Dijkstra – Het is u vast niet ontgaan, de mediaberichten afgelopen zomer gingen vaak over plaagdieren die ons nu of in de toekomst het leven zuur gaan maken. Even een paar hoofdrolspelers: draaigatje (verzakkende stoeptegels), oprukkende tijgermuggen (nare ziektes), Amerikaanse rivierkreeft (oeverschade), buxusmot (buxussterfte) en eikenprocessierups (jeuk). Door de bank genomen vaak “exoten” die door klimaatverandering en/of door gesleep van mensen hier terecht zijn gekomen. Maar ook met onze inheemse muizen en ratten lijkt het ineens uit de hand te lopen volgens de berichtgeving. Voor de eikenprocessierups richtte het ministerie van LNV onlangs een crisisteam op dat met spoed aan een nieuw bestrijdingsprotocol werkt.

Zonder de last die mensen van plaagsoorten te bagatelliseren, vraag ik me af de ongebreidelde groei en het menselijke vermogen tot bestrijden niet wat overdreven worden. Vroeg of laat komen ze op het menu van een ander organisme, bijvoorbeeld van vogels. Er zijn veel vogelsoorten die opportunistisch reageren op verhoogd voedselaanbod, of dat nu exoten zijn of niet. Sterker nog, hun voortbestaan kan er van afhangen of extra kansen bieden. Het kan even duren, maar de natuur helpt uiteindelijk de “plaag” mee te beheersen.  Ze heeft al een crisisteam en protocol. Een paar voorbeelden.

Muizenvalk
Van een aantal roofvogels en uilen is bekend dat muizen een belangrijk onderdeel van het menu uitmaken. De torenvalk is een voorbeeld van een soort die zich vooral heeft gespecialiseerd op veldmuizen. Biddend, hoog in de lucht, kunnen ze de muizen detecteren. Het aanbod aan veldmuizen vertoont grote fluctuaties. De jaarlijkse verschillen kunnen groot zijn en kennen een cyclisch verloop waarbij eens in de 3-4 jaar sprake is van een piekjaar. De torenvalk is goed in staat om in te spelen op een verhoogd aanbod. Bij de start van het broedseizoen werkt het aanbod van veldmuizen onmiddellijk door in het aantal eieren en legbegin: veel muizen betekent grotere legsels en een vroeg legbegin. In 2019 troffen we in de buurt van Assen in diverse torenvalk-kasten zes goed gevoede jongen aan. Een teken dat het met de (lokale) veldmuizenstand wel goed zat. Dat is de gemiddelde inwoner van het gebied waarschijnlijk niet eens opgevallen.

Jonge torenvalk uit een nest van zes jongen

Muizenplagen terug van weggeweest?
In vroegere tijden waren veldmuizenplagen vrij gebruikelijk, maar ze zijn vanaf het eind van de vorige eeuw zeldzamer geworden. De torenvalk daarmee uiteindelijk ook. Het verdwijnen van zwarte kraaien en eksters, als leveranciers van nestgelegenheid, in het buitengebied is hierbij ook een factor van belang. Echte muizenplagen komen steeds minder vaak voor, al zijn ze recent in de Friese veenweiden weer actueel. Een hernieuwde kennismaking met een oud fenomeen. Deze plagen worden echter in verband gebracht met o.a. de grote drooglegging van veenweiden, monoculturen van snelgroeiend gras en afnemende weidegang. Plagen van deze omvang vergen een systeemaanpak: hoge grondwaterstanden/inundatie en meer weidegang. Nieuwe kansen voor weidevogels??

Vliegende mieren(eters)
De laatste jaren heb ik de maand juli al een paar keer zwarte kraaien, kauwen, kokmeeuwen en scholeksters als bezetenen al pikkend over stoepen en straten zien rennen. Nader bekeken, bleken ze jacht te maken op vliegende mieren. Halverwege de zomer kunnen op warme dagen mierennesten ineens openscheuren en vliegen duizenden vliegende mieren in golven uit. Hoe klein ze ook zijn, bij een massaal aanbod ook voor dergelijke grote vogels een profijtelijke prooi.
Een echte mierenspecialist is de groene specht. Deze soort zie je steeds vaker in dorpen en woonwijken. Ze doen zich te goed aan o.a. wegmieren. Mierenspray, mierenlokdozen en mierenpoeder, allemaal overbodig. En hoe zullen de groene spechten en scholeksters reageren als het draaigatje (Mediterrane mier) als gevolg van de steeds warmere zomers in hun leefgebied op gaat duiken? Deze soort maakt superkolonies van wel 120 meter lang, een potentiële voedselbonanza!

Adulte groene specht (rechts) boort een mierennest aan. Het jong (links) wacht geduldig op z’n feestmaal. Het draaigatje is gewaarschuwd.

Rupsje nooit genoeg
En dan de rupsen. Eikenprocessierupsen en de rupsen van de buxusmot waren afgelopen zomer bijna het gesprek van de dag. Het probleem met de buxus lijkt me niet zo moeilijk, gewoon iets anders planten.
De gezondheidsklachten die rupsen lokaal kunnen geven zijn natuurlijk niet te onderschatten, maar om de vele eiken daar nu de schuld van te geven…. Gelukkig wordt natuurlijke bestrijding bij dit fenomeen serieus genomen. Gelet op de veldwaarnemingen beginnen steeds meer vogels interesse te krijgen in deze rups. Koolmezen, kauwtjes, spreeuwen en nog wat soorten doen zich tegoed aan deze harige rupsen. Hoe meer, hoe beter. Ook uitzwervende jonge vogels doen dit. Met het aanbieden van wat nestgelegenheid kan het voorkomen van deze soorten worden gestimuleerd.
Maar daarmee alleen red je het niet. Zo hebben koolmezen voor hun jongen in de nestkasten ook ander voedsel nodig. Deze vinden ze bijvoorbeeld in struiklagen. In kruid- en struiklagen bevinden zich ook insecten die de rupsen kunnen helpen bestrijden. Een voedselketen opzetten daar gaat het om. Dus dichte en gevarieerde houtwallen en wegbeplantingen met aangrenzend ecologische beheerde bermen. Er wordt aan gewerkt……

Het begin is er, nestkasten voor koolmezen die moeten helpen de eikenprocessierupsen te bestrijden. Het aantal nestkasten is misschien iets te enthousiast, maar vooral het toevoegen van struiken en een meer ecologisch bermbeheer zullen het doel wat dichterbij brengen.