In de ban van bijen

Als natuurvorser kun je je leven wijden aan het bestuderen van een soortgroep (vogels), familie (kraaiachtigen) of zelfs aan een enkele soort (de raaf). Je raakt nooit uitgekeken of uitgeleerd. Als zoogdierfan en vogelaar heb ik mijn handen nu ook meer dan vol, maar het laatste jaar raak ik steeds meer in de ban van insecten. Een soort uit dat immense insectenrijk volg ik de laatste weken met buitengewone belangstelling: de pluimvoetbij.

Er verschenen steeds meer zandhoopjes tussen de tegels.

In juni verschenen bij mij in de straat de eerste gele zandhoopjes op de tegels. ‘Kijk nou’, zei ik als insectengroentje op een avondrondje tegen mijn vrouw. ‘De mieren ondermijnen onze hele buurt’. Gekscherend natuurlijk, maar ik zat er behoorlijk naast. Toen we wat langer stil bleven staan bij die hoopjes zand zagen we al snel dat het om een bijensoort ging die ijverig zand naar buiten aan het werken was. ‘Dan zal het wel een graafbij zijn’, gokte ik.

Wat ons ook opviel was de grote hoeveelheid gele borstelige haren aan de achterste poten van de bij in kwestie. Hiermee verzamelen ze stuifmeel en heten officieel scopa (las ik later). Ik vermoedde dat het om een pluimvoetbij ging. Ik had echter nog nooit echt de tijd genomen om ze eens goed te bekijken. En dat is voor iemand die al bijna dertig in de natuur loopt te speuren, natuurlijk niet echt iets om trots op te zijn. Wat ik inmiddels wel geleerd heb, is dat je nooit zomaar wat moet roepen en daarom dook ik thuis maar eens in de boeken.

Detail van een gang van een pluimvoetbij.

Graafbijen bestaan niet, graafwespen wel. 

Zo kwam ik er al snel achter dat graafbijen niet bestaan. Graafwespen wel, maar die zijn weer van een geheel andere ‘orde’. De bijenfamilie die ik bedoelde zijn de zogenaamde zandbijen waarvan de grijze zandbij waarschijnlijk de meest bekende is. Althans, die had ik wél eens bewust gezien. Deze grote familie kent zo’n tachtig soorten waarvan vijf soorten uit Nederland zijn verdwenen. Er zitten niet alleen prachtig uitziende soorten bij, maar ze hebben ook nog eens sprookjesachtige namen als witbaardzandbij, asbij of vosje.

De pluimvoetbijen die wij op het tegelpad zagen ijveren, kwam ik binnen de familie van de zandbijen echter niet tegen in mijn onvolprezen Veldgids Bijen voor Nederland en Vlaanderen. De pluimvoetbijen blijkt dan ook een aparte familie te zijn van zo’n dertig soorten waarvan alleen de gewone pluimvoetbij in Nederland voorkomt. Nu hebben de vrouwtjes van de zogenaamde roetbijen ook van die ‘pluimvoeten’, maar die zien er weer heel anders uit.

Pluimvoetbij. Let op de gele borstelharen op de achterpoten.

Onkruid

Goed, de pluimvoetbij dus. Nu ik weet welke soort het is, kan ik ook lezen dat ze vooral composieten bezoeken, een plantenfamilie waartoe ook de paardenbloem behoort. In drogere en zandige omgeving moeten ze het bijvoorbeeld hebben van gewoon biggenkruid, havikskruid en jacobskruiskruid, maar ze halen hun neus ook niet op voor distels. En laten dat nu plantensoorten zijn, die we in onze woonomgeving toch vaak als ‘onkruid’ beschouwen. Bij mij in de wijk worden ze over het algemeen ook met veel overgave weg geschoffeld door de plantsoenendienst. Ik heb er wel eens voor gepleit om ze gewoon te laten staan, maar dan vallen al snel de woorden ‘rommeltje’ of ‘niet netjes’. En ja, gemeenten zullen er ook wel aangesproken worden door mijn buurtbewoners.

Toch jammer, want er is vooral nu door de droogte al zo weinig te halen voor bijen en andere insecten en in die insectenwereld is juist zoveel moois te ontdekken voor ons. Voor mij is er in ieder geval een nieuwe wereld open gegaan en nu heb ik nog een leven nodig om mijn nieuwsgierigheid te beteugelen. En mijn tuin zal in de ogen van velen ook wel een rommeltje zijn, maar er bloeit tenminste nog wat en het zoemt geregeld dat het een lieve lust is.