Bijen en diversiteit

Natuurspotter Joop Verburg –  “De bij hoort er bij” Sinds we een insectenhotel achter ons huis bij de Vlindertuin hebben (zie voor meer informatie de site van het Vlinderommetje), kijk ik veel vaker en met meer belangstelling naar bijen. In augustus was er een krantenbericht dat er een nieuwe bijensoort in Nederland was ontdekt (in Zuid Limburg); dat was nummer 361. Zoveel soorten bijen zijn er in Nederland. Alleen daarin al zoveel diversiteit. Ik wil dit keer niet ingaan op het belang van al die bijensoorten en op de bedreigingen; daarover staan de kranten en de bladen al vol.

De meeste soorten zijn klein en heel moeilijk te determineren. Kijk maar eens naar het groefbijtje op de Blauwe druifjes:  Amper groter dan 1 bloempje!

 

Sommige zijn gemakkelijker, omdat ze specifieke kenmerken hebben. Neem de Pluimvoetbij, die kun je heel goed herkennen aan de grote gele pluimen aan de achterpoten. Het zijn vrij grote bijen die een gat tot 80 cm diep (!) graven in de zandgrond -vaak tussen de stenen in straatjes van klinkers- en die in zijkamertjes stuifmeelbolletjes maken en daar een eitje op leggen. Kamertje dicht en binnenin komt een larfje uit die het stuifmeel op eet. “Op is op” en dan is de larf volgroeid en gaat hij verpoppen. Na verloop van tijd komt er -nog vóór de winter-  een nieuwe bij uit, die wacht met naar buiten komen tot de bloemen bloeien, waar hij of zij mee verbonden is.

Naast de zandbijen zijn er ook metselbijen die allerlei kleine gaatjes, zoals kevergaatjes in bomen, benutten om er kamertjes in te metselen, die een voor een voorzien worden van een hoeveelheid stuifmeel waarop een eitje wordt gelegd. Daarna wordt telkens ieder kamertje dichtgemetseld.

Koekoeksbijen

Zowel bij de zandbijen als bij de metselbijen horen een aantal parasitaire bijensoorten. Bijen die geen harig lijf of harige poten hebben en daardoor niet zelf stuifmeel kunnen verzamelen. Ze horen bij één specifieke andere bijensoort en komen tegelijk daarmee te voorschijn. Zij wachten tot er een kamertje klaar is en proberen er dan stiekem een eitje in te leggen. Zo zorgen zij voor hun nageslacht en we noemen ze Koekoeksbijen. Voorbeeld is de Grote bloedbij bij de Grote zijdebij.

 

Andere bijen zijn beter te herkennen omdat ze altijd heel vroeg verschijnen, zoals de Grijze zandbij (met de Roodharige wespbij als koekoeksbij) of juist heel laat zoals de Klimopbij.

 

Ook zijn er bijen die een sterke voorkeur hebben voor 1 plantensoort om daar stuifmeel af te halen. Die bijen heten monolectisch. Voorbeelden zijn de Ranonkelbij op Boterbloemen, de Slobkousbij op Grote wederik en de Klimopbij natuurlijk op Klimop. Het zijn allemaal hulpmiddelen in de moeilijke wereld van de wilde bijen.

Maskerbijen

Een laatste groep waar ik over wil hebben, betreft de maskerbijen. Kleine bijtjes die vaak voor op de kop een wit masker hebben. Zo is er een Lookmaskerbij die alleen stuifmeel op looksoorten verzamelt en een Resedamaskerbij die op Reseda vliegt. Al een paar jaar geleden zei Arie Koster -een van de grote bijenkenners van Nederland- dat ik eens op de Reseda moest letten, want er zou best eens een Resedamaskerbijtje op kunnen vliegen. Ik heb er wel eens naar gekeken, maar heb nooit wat waargenomen tot ik onlangs wat tijd nam om echt te kijken. Op de Kleine reseda die groeide op een ingezaaid randje van de volkstuin in Zuidwolde, vlogen heel kleine bijtjes. Ik heb foto’s gemaakt en dankzij de techniek kun je dat allemaal sterk vergroten en was het witte masker duidelijk te zien. Wanneer je dan gaat zoeken en ontdekt dat er afgezien van één archiefmelding zonder foto geen eerdere meldingen van dit bijtje in Drenthe zijn geweest, bekruipt je toch een geluksgevoel van ontdekking van biodiversiteit. We verliezen wel veel, maar soms gloort er een sprankje hoop door een leuke ontdekking.