Kappen nou

Door Jan van Ginkel – In het boekje Bronnen van Joodse wijsheid vond ik het treffende gezegde: ‘Een dove heeft gehoord hoe een stomme heeft verteld dat een blinde heeft gezien hoe een lamme heeft gelopen.’ Iedereen die zich bemoeit met milieu, duurzaamheid, landschap en natuur zou bij zichzelf te rade moeten gaan met welke van de in het spreekwoord de genoemde handicaps hij/zij zelf heeft te maken. Misschien is het nog het meest schrijnende dat we allemaal op onze beurt én doof, én stom, én blind én lam zijn. Dat we onze beperkingen ondergeschikt maken aan het zo luid en zichtbaar mogelijk maken van iets dat niet meer dan een mening kán zijn, we praten elkaar na en leuteren in eigen belang maar door. Of het nou over het kappen van bomen gaat, het inzetten van glyfosaat, de uitbreiding van Schiphol of de toepassing van gif in de lelieteelt, het eigen straatje wordt schoon geveegd, het eigenbelang prevaleert en de waan van de dag bepaalt de uitkomsten van de discussies…

Mijn humeur is dit voorjaar danig verpest door de hoeveelheid oranje-gele hectares. Ik beleef het natuurspotten op dit moment met gemengde gevoelens. Enerzijds ben ik enthousiast want het is het nu volop voorjaar, met bomen en struiken in talloze groennuances en een rijke bloei van struiken en kruiden, als die er staan tenminste. Anderzijds neemt de oppervlakte zielloos en hardgroen grasland exponentieel toe en hoor ik nauwelijks meer veldleeuweriken. Aan de ene kant lees je over mooie initiatieven van burgerij en boeren t.b.v. biodiversiteit en duurzaamheid, aan de andere kant spannen overheid en de agrarische sector maar al te graag die onderzoeken voor hun karretje die aan zouden tonen dat de ecologische schade van ‘gewasbeschermingsmiddelen’ niet aantoonbaar is. Eerst moeten er dooien vallen…

Gasterse holt
Ik moest het even kwijt. We gaan nu over op de natuurbelevenissen van de laatste tijd. Samen met Mieke heb ik erg genoten van een fietstocht vanuit Anderen, via het Scheebroekerloopje, naar het Gasterse holt, door het Evertsbos en Anloo (ondanks de drukte was het sfeervol bij de Magnuskerk) naar de Strubben-Kniphorstbos. Wat een variatie in landschappen, wat een biodiversiteit! Het Gasterse holt ligt op de flank van een dekzandrug waarop de Gasterse es is gelegen. De rug gaat hier over in een klein beekdal dat afwatert op de Drentsche Aa. Het is een oud bos, destijds eigendom van en benut door de boermarke, nu is het in bezit van Het Drentse Landschap.

Door de lage ligging en door potklei in de grond is de bosbodem vochtig tot kleddernat. De ondergroei kent een zeer soortenrijke kruidlaag, met o.a. gele dovenetel, daslook, bosmuur en bosanemoon. Het aangrenzende landschap bestaat uit een vochtig weidegebied met oude houtwallen. Het holt was ooit boerbos, het groenland werd benut voor beweiding en de winning van hooi. Cultuurlandschap dus, met een rijke natuur. Door zorgvuldig beheer en het gunnen van tijd en ruimte aan natuurlijke processen treden er veranderingen op, maar het geheel blijft bijzonder waardevol.

 

Op veel plaatsen langs onze route troffen we bosanemonen. Soms als stille en wellicht ten dode opgeschreven getuigen van verdwenen bosjes en houtwallen, soms ook in de nog natuurlijke(r) omgeving. De bosanemoon is een voorjaarsbloeier met helder witte bloemen, waarvan het loof in de zomer al verwelkt is en verdwenen. In Drenthe komt dit mooie plantje voor in oudere loofbossen op vochtige, vrij voedselrijke en humeuze bodems. De bosanemoon staat dan ook vooral in bossen in beekdalen, in oude esrandbossen en in bossen met keileem of potklei in de bodem.

De Strubben-Kniphorstbos
De Strubben-Kniphorstbosch is een natuurgebied van 377 hectare. Vanwege zijn bodemschatten is dit gebied aangewezen als archeologische reservaat. In het gebied zijn opmerkelijk veel overblijfselen te vinden uit de prehistorie. Er liggen o.a. twee hunebedden, een zestigtal grafheuvels en een galgenberg. Wie er oog voor heeft vindt op de heide langgerekte rugjes en greppeltjes, alle begroeid, die ontstaan zijn als karrensporen. Ook zigzaggen er de restanten van een loopgraaf. Het ging ons nu echter om de strubben. Omdat er nog nauwelijks blad aan de bomen zat, zagen we de samenstelling van zo’n strubbe maar al te goed: verzamelingen van scheve, kromme stammen. Strubben zijn ontstaan door eeuwenlang samenspel tussen bomen en schapen, mens en natuur. Jonge eikjes werden door schapen afgevreten, liepen weer uit, werden weer afgevreten enzovoort. Afhankelijk van het weer kwam de herder met zijn kudde vaker of voor langere tijd in de beschutting biedende strubben. De wisselende begrazing van zo’n stuk met boompjes begroeide heide leidde tot grillige vormen van gedrongen, soms uit één stobbe gegroeide stammen. Het hout werd voor allerlei doeleinden gebruikt, waarbij handig gebruikt werd gemaakt van de natuurlijke krommingen. Daarnaast gebruikten bakkers het hout voor hun ovens. Strubbenbos is op veel plaatsen nabij esdorpen nog herkenbaar vooral aan de – voormalige – heidezijde van het hakhoutbos. Tekst gaat verder onder de foto.

Heidesnikken
Wij gingen niet alleen voor de archeologie en de strubben naar dit gebied, maar ook voor een derde cultuurhistorische bijzonderheid. Vroeger was de heide niet alleen schapenweide. Tot voor in de 20e eeuw vonden ook de heidesnikken of heidebiessies daar nog hun voedsel. Deze runderen waren echter uit Drenthe –en heel Nederland – verdwenen, want economisch niet meer interessant. Schotse Hooglanders, Zuidschotse Galloways en diverse andere buitenlandse runderen namen hun plaats in, Niet vanuit winstoogmerk, maar om een gevarieerd graasregiem te bewerkstelligen. Schapen, runderen en ook paarden hebben elk hun eigen voedselvoorkeur en graasgedrag. Combinaties van deze huisdieren bevordert zodoende de afwisseling in het bos en op de heide. Met behulp van koeien uit Jutland (deze lijken het meest op de heidesnik) wil men weer een heidekoetje terugfokken. In dit fokprogramma is ook plaats voor kleine, rasloze Nederlandse koeien. Heidesnikken staan in verhouding tot het moderne melkvee laag op de stevige poten en hebben een dikke buik. Zowel rood- als zwartbont komt voor en ook een vaalgrijze kleurslag hoort in dit gezelschap thuis.

Wildernis
Op onze tocht zijn we niet ontsnapt aan het Drentse cultuurland. Voor wildernis lijkt hier geen plaats meer te zijn. Maar is dat erg? Wij hebben op onze tocht beleefd dat de natuur ondanks de dove, stomme, blinde en lamme mens veel moois te bieden heeft. Reden om door te knokken!