Verloren woord: ortolaan

Geelgors. (foto Aaldrik Pot)

Vorige week hoorde ik de geelgorzen weer voorzichtig zingen. Niet zo gek, de temperatuur was volgens het metertje in mijn auto opgelopen tot 17 graden. Zijn liedje, dat vaak geassocieerd wordt met de eerste noten van de beroemde Vijfde symfonie van Beethoven, klinkt mij in altijd als muziek in de oren: voorjaar in aantocht. Ti-Ti-Ti-Tieeee… Maar die geelgors deed me ook denken aan een ‘gors’ die uit ons landschap is verdwenen: de ortolaan.

In grote delen van Nederland gaat de stand van de geelgors achteruit, maar in Drenthe doet hij het verheugend goed. De opvallende gele vogel houdt van het kleinschalige agrarische cultuurlandschap met houtwallen, heggen en kruidenrijke akkers. Maar ook in de randen van beekdalen kom ik hem geregeld tegen. Een optimistisch bericht dus in tijden dat het vaak over de teloorgang van onze boerenlandvogels gaat.

Kleinschalig landschap

Toch ontkwam ik niet aan de minder optimistische gedachte dat we twee familieleden van de geelgors die van een soortgelijk landschap houden nauwelijks nog in Drenthe zien. En dan heb ik het over de grauwe gors en de ortolaan. En over die laatste soort wil ik het graag even hebben. Omdat hij zo mooi is.

De ortolaan houdt, net als de geelgors, van een kleinschalig landschap, liefst op zandgrond met houtwallen, onkruidrijke bermen en akkers met graan en hakvruchten. Ik zou zeggen, welkom in Drenthe! Maar zo eenvoudig is het blijkbaar niet.

Aan het begin van de twintigste eeuw broedden er naar schatting nog zo’n 5000 paartjes in Nederland.  Maar al voor de Tweede Wereldoorlog begonnen hun aantallen  terug te lopen. In het boek Vogels van Drenthe uit 1982 wordt gemeld dat de ortolaan eind jaren zeventig ook uit Drenthe aan het verdwijnen is. Bij Zuidwolde werd jaarlijks nog wel een broedgeval vastgesteld en af en toe werden er uit andere delen van de provincie nog zingende mannetjes gehoord. Maar daarna werd het snel stil.

De oorzaak is niet bekend, maar ook hier gaat weer het sterke vermoeden uit naar het veranderde landschap waarin steeds minder insecten te vinden zijn. En net als voor veel andere vogels, zijn insecten voor ortolanen in het zomerhalfjaar van levensbelang.

Ortolaan.

 

Ook al kijk ik bijna 25 jaar fanatiek naar vogels, ik ken de ortolaan helaas al niet meer uit Drenthe. Ik moest er voor naar Polen. Daar zag en hoorde ik een ortolaan aan de rand van een dorpje in het prachtige beekdal van de Biebzra. Maar het had, met een beetje fantasie, net zo goed in de Drentsche Aa kunnen zijn.

Afijn, terug naar mijn eerste ortolaan: prachtige vogel, subtiel getekend met een roestbruin lijf, een grijze nek en een subtiele gele baardstreep en keelvlek. En dat het een direct familielid van de geelgors is, kon ik heel goed aan zijn zang horen. Ook hierin kun je de ‘de vijfde van Beethoven’ herkennen. Maar daar waar de geelgors zijn liedje wat zeurderig beëindigt, klinkt de laatste noot van de ortolaan nogal melancholisch.

En wat ik me bij het horen van die eerste geelgorzen realiseerde is dat  met het verdwijnen van een bepaalde vogelsoort, zoals de ortolaan, zijn naam uit het dagelijkse taalgebruik verdwijnt. En dat is jammer. Want zeg nu zelf, ortolaan, dat is toch een woord dat je het liefst elke dag wel een keer zou willen uitspreken?